Voorpagina Ingezonden

Lachwangetje in Krantenland

Lachwangetje in Krantenland werd geschreven door Fouzia Outmany & Klaartje Jaspers voor de bundel Dwarse Vrouwen.

Lang, lang geleden, maar toch ook weer niet zo heel erg lang, was er eens een lief klein meisje met een hart van goud, net als alle kleine meisjes. Ze heette LachWangetje, en woonde met haar papa, mama, oma, twee zusjes, een broertje en een neefje in een klein dorpje op een berg waar de bijen honing maakten, de bomen vruchten en noten gaven en haar oom de geiten hoedde. Overdag speelde ze met de andere kinderen in het dorp en lette ze op haar broertje. Iedereen werd vrolijk als ze LachWangetje zagen, als ze met haar korte armpjes probeerde de achterste kleren uit de wasbak te halen, of in haar vaders grote laarzen door het riet sopte om een gewonde gans te redden.

 

Elke avond als haar oma haar haren kamde, luisterde ze naar verhalen over verre voorouders, machtige koningen, wijze profeten en vrouwen die de last van de wereld schijnbaar moeiteloos op hun schouders namen. Als ze later groter was, wist ze zeker, wilde ze net zo wijs zijn als haar oma en met haar familie in net zo’n fijn dorp wonen als zij nu.

Op een dag maakte haar moeder haar heel vroeg wakker. ‘Kom LachWangetje, we moeten gaan.’ ‘Waar gaan we naar toe?’, vroeg LachWangetje verbaasd. ‘Naar een ver land, waar een heel mooi huis en een heleboel vriendjes op ons wachten. Geef oma snel een kus!’

Bij de poort stond oma met een klein koffertje. ‘Ik wil niet weg!’. ‘Ga, mijn lieve prinses, God is met je. We zijn altijd samen, ook al zien we elkaar niet.’ Ze drukte LachWangetje iets in de hand. ‘Niet openmaken tot je voorbij de Oudste Boom bent!’ Oma zwaaide, en voor ze het wist zat LachWangetje achterop de kar, tussen de koffers en de zakken, haar broertje en haar moeder. Papa zat met haar zussen voorop, in een rare jas waarin ze hem nog nooit had gezien.

Toen ze voorbij de Oudste Boom reden, deed LachWangetje haar hand open. Het waren oma’s kralen, die al sinds haar over-over-overgrootmoeder in de familie waren. Haar moeder drukte LachWang stevig tegen zich aan.

14 jaar later was LachWang niet meer het LachWangetje van vroeger. Haar vader was de hele dag weg, en als hij ’s avonds laat thuis kwam, was hij moe. Haar moeder was meestal ziek of verdrietig, zodat LachWang haar niet durfde te storen. Zo? had ze leren sluipen en kon zich beter onzichtbaar maken dan wie ook.

Buiten had niemand oog voor haar. Als ze wat wilde zeggen, deden de mensen alsof ze al lang wisten wie ze was en wat ze wilde. Op school probeerden sommige mensen haar te betuttelen alsof ze een hopeloos gevalletje was. Sommigen scholden haar uit, maar de meesten lieten haar links liggen. Om haar heen zag ze sexy meisjes met blote navels, succesvolle witte mannen in strakke pakken en snelle auto’s. Buitenlandse vrouwen werden onderdrukt en door hun mannen geslagen, het waren stripdanseressen of anderszins kansloos en ontspoord. Ze las het in de krant. De verhalen van haar oma waren verzinsels geweest, wist ze nu. De enigen die succes hadden waren De Anderen, en om bij hen in de smaak te vallen moest ze zijn zoals zij. LachWang wilde niet langer een wijze oma worden, maar een succesvolle zakenvrouw die zich niet liet beperken door sprookjes, dogma’s en romantiek.

Om de waarheid te leren kennen, koos ze voor de journalistiek. De opleiding was ver van huis, zodat ze op kamers kon, waar ze niet langer rekening hoefde te houden met haar vaders middeleeuwse kledingnormen en haar moeders kwalen. Van het geld dat oma haar soms stiekem toestuurde, kocht ze geen pannen en beddengoed, maar liet ze haar haren blonderen en kocht ze een nieuwe garderobe.

Al snel leerde LachWang alles wat een goede journalist moet kunnen: ze wist complexe verhalen te reduceren tot hapklare brokjes, bracht hele artikelen rücksichtslos terug tot een lekker commerciële kop, en voor twijfel had ze geen tijd. Buiten schooltijd schreef ze verhalen voor het vrouwenblad WegMetDieMan,EenEchteVrouwDieKanErWatVan! (kortweg WMDMEEVDKEWV!); verhalen over onderdrukte seksegenoten en uitgebuite haremmeisjes in verre barbaarse landen, waar vrouwen nog zeven kinderen baarden. Ze leverde het blad een hoop extra geld en lezeressen op. Met haar naam onder de titel, betwistte niemand ooit de strekking.

Met haar grenzeloze ambitie en onuitputtelijke aanpassingsdrang, kreeg LachWang kort na haar studie een baan op de buitenlandredactie bij een toonaangevende krant. Haar naam vonden ze aangenaam exotisch, maar haar nieuwe collega’s hadden al snel door dat LachWang Dichtdichtbijlandser was dan wie dan ook. Met haar eigen inkomen leek LachWang langzamerhand steeds meer op haar eigen ideaal: ze had nergens iemand meer voor nodig. Haar kant-enklaarmaaltijden kocht ze bij de grootgrutter, voor de was betaalde ze een oudere vrouw. Eens per jaar belde ze haar moeder, maar ze kon er ook niet om malen als ze het eens een keer vergat.

Op een zekere maandag was LachWang vroeg op kantoor. Ze wilde net in een broodje kaas bijten toen de telex ging. In Ver-verweggistan, maar toch ook niet zo heel heel erg ver weg, was een bom ontploft bij het kantoor van GraaiGraag, een belangrijk bedrijf uit Dicht-dichtbijland, maar toch ook weer niet zo heel heel erg dichtbij. Op het televisiescherm zag ze brandende autobanden, schreeuwende mensen en een zwetende presentator in een dik veiligheidsvest.

‘Het is nog niet duidelijk of dit het startschot is van een communistische revolutie, of een ongesteunde terroristische aanslag tegen de delfstoffenindustrie, de motor van de lokale economie’, galmde de man in zijn microfoon. Op de achtergrond dwarrelden stof en puin naar beneden en werden gewonden naar buiten gedragen op smerige lakens. Bloed, roet en lawaai.

‘LachWang spreekt de taal. Wil zij daar niet naar toe?’, riep haar baas over zijn schouder tegen de redactiechef. De baas keek haar aan. LachWang knikte, maar ze was ook een beetje bang. Straks zat ze daar tussen die dorpelingen, en moest ze gaan uitleggen waarom ze geen vijf kinderen had en geen man, en zich gaan houden aan van die achterlijke wetten, die ze niet kende en al helemaal niet respecteerde. Hoe moest zij in hemelsnaam de machtige mannen daar gaan interviewen, als jong en ‘inheems’ meisje? Ze zou de wind van voren krijgen, maar als het haar lukte zou haar naam dagenlang op de voorpagina kunnen prijken.

‘Ja, natuurlijk’, slikte ze, ‘Interessant. Dan moet ik wel vijf afspraken, drie interviews, een première en een conferentie afzeggen. Wie regelt dat?’. Twee uur later zat ze in het vliegtuig, onder haar zag ze hoge bergen met sneeuw en rivieren als slangen met glinsterende ogen.

Toen het vliegtuig daalde, zag LachWang een blauwe zee met vissersbootjes, palmbomen en de gouden torens van sierlijke gebouwen. Was dit het land waar ze het over hadden? Even was ze in de war, maar de naam op haar briefing en de naam op de poortjes bij de douane kwamen overeen.

In de taxi naar het perscentrum, vroeg de chauffeur wat ze kwam doen. Hij lachte toen ze vertelde dat ze voor de aanslag kwam. ‘Aanslag? Mevrouw, GraaiGraag wil gewoon weg. De mijnen zijn leeg, maar hun contract loopt nog door. Gaat u maar eens kijken, het valt reuze mee. Mijn neefje werkt daar, hij wijst u de weg.’

Op straat was het rustig, kinderen voetbalden in autoluwe steegjes en vroegen LachWang naar haar naam. Ze snapte het niet, hier was toch geweld en revolutie? Overal werd gelachen, uit de ramen stegen kruidige luchten naar buiten.

Een vrouw kwam naar buiten, wreef haar handen droog aan haar schort, en vroeg LachWang hoe het ging. Ze zei keurig ‘goed’, maar merkte dat dat niet afdoende was. Kritisch keek de vrouw haar aan. ‘Goed? Zus, je ziet eruit of je net een spook gezien hebt. Ga zitten, ik maak thee.’ LachWang weigerde. Ze moest rennen, of ze kwam nog te laat.

In het perscentrum heerste Paniek: alle Dicht-dichtbijlandse bedrijven dreigden hun spullen te pakken, de economie stond aan de vooravond van een vrije val, de ambassadeur van GrootGrootMachtigland dreigde zijn smeergeld terug te trekken en het staatshoofd van Ververwegistan maakte zich op voor een speech. Zenuwachtig wachtten de journalisten op iets nieuws. Toen LachWang zei dat ze bij het brandende kantoor wil gaan kijken, kreeg ze ervan langs van de cameraman. ‘Ben je gek? Dat is volkomen onverantwoord. Als je gaat, gaan we als groep, onder escorte van de GrootGrootMachtigste veiligheidsdienst.’

Drie weken later zat LachWang uitgeput op een berg. Onder haar zag ze de stad, nog even mooi en levendig als de keer dat ze hem vanuit het vliegtuig zag. Toch had ze de afgelopen weken alleen maar mogen schrijven over armoede, corruptie en geweld.

Ze had mensen ontmoet, die haar iets hadden geleerd, maar ze kon er niets mee doen. Toen ze wilde schrijven over de zelfvoorzienende boeren in het achterland, zag de redactie geen aanleiding. Toen ze wilde schrijven over een theaterstuk over buitenlandse bedrijven, moest het gaan over de manier waarop de regisseuse zich aan haar onderdrukking ontworsteld had. Toen ze wilde vertellen dat die aanslag geen aanslag was, en de mensen zich prima leken te redden zonder het geld van GraaiGraag en de troepen van GrootGrootmachtigland, werd ze meewarig aangekeken, en voortijdig naar huis geroepen. Misschien was ze overspannen, maar waarschijnlijk hadden ze haar gewoon overschat. (‘Nou ja’, dacht de directeur van Krantenland, ‘Dat heb je met Dat Soort Mensen. We hebben haar in ieder geval een kans gegeven. Over mij kunnen ze niets zeggen.’)

Ze zag haar terugkeer met lood in de schoenen tegemoet, terwijl ze zo gehoopt had eindelijk de voorpagina te bereiken met iets nieuws – iets echt nieuws. In plaats daarvan werd ze vertolkt met een dikke misleidende kop boven een ingekort tendentieus stuk; eigenlijk precies het soort koppen waar ze zelf altijd zo trots op was geweest. Ze zag ze prijken op de covers… met haar naam eronder, de naam van haar grootvader en haar oma, die hier in de buurt begraven lag. Ze maakte hun naam ten schande.

‘Ben je de weg kwijt?’, hoorde ze achter zich. Uit een boom sprong een vrolijk aapje, hij maakte een buiteling en schudde haar hand. ‘Edward.’ ‘LachWang’. ‘Ik ken jou’, zei Edward. ‘Je had naar je oma moeten luisteren. Die verdoemde media ook.’

Hij sprong van een hand op de ander. ‘LachWang, LachWang, leg die zorgen opzij ze zeggen ‘wij zijn wij’ en ‘zij zijn zij’ maar je bent ook ik, en ik ben ook jij!’ En weg huppelde het aapje. ‘Hey! Je bent je pet vergeten!’ riep LachWang nog, maar hij was al weg.

LachWang keek naar de rode geborduurde pet in haar hand. Het was een oud exemplaar, bezaaid met grote gekleurde stenen. In de band stond een tekst. Oude letters, in een schrift dat nauwelijks nog te lezen was: Een boom met hoge takken heeft ook diepe wortels

LachWang kreeg ineens ongelofelijke zin om terug te gaan naar Dicht-dichtbijland. Ze stond op en haastte zich naar het vliegveld. De zee werd grijs, de bergen vervlakten. Aangekomen in haar appartement, rende ze de trap op, naar het oude sleutelkastje dat ze in een haastige bui had dichtgebonden met oma’s oude kralenband. Het touw was broos geworden, de kralen dof. Ze blies het stof eraf. ‘Sorry kralen’. Ze kuste ze en bad. Tot haar oma, tot haar vader, tot haar moeder, tot zichzelf. Toen stond ze op en ging op audiëntie bij Zijn Commerciële Hoogheid, de directeur van Krantenland.

‘LachWang’, zei hij, terwijl hij iets intikte op zijn PC. ‘Baas’, zei zij, ‘Hoe gaat het met je?’ Hij keek op, dergelijke vragen kreeg hij niet zo vaak, en zeker niet van haar. ‘Hoezo?’, zei hij, ‘Is er iets?’

‘Ja’, zei zij, ‘In ons statuut staat dat wij onafhankelijk en objectief zijn. Maar als ik dat wil zijn, word ik ontslagen.’

‘Och, kom…’, suste hij, ‘zo erg is het toch niet? Je hebt natuurlijk een hoop voor je kiezen gehad de laatste tijd. We geven je alleen wat tijd. Je ziet dat wel vaker, zo’n cultuurshock. Meestal is dat na een paar weken wel weer over. Ga lekker op vakantie en kom dan met me praten. Ik ontsla je echt niet zomaar. Mag trouwens ook niet, al zou ik het willen. ‘

‘Baas, ik heb wat te vertellen. Waarom luister je niet?’

En zo kwam het, dat LachWang terecht kwam op de moderedactie, en haar baas moest paaien met een taart. Bij het zien van het zelfgebakken baksel, enigszins verbrand aan de linkerkant, realiseerde hij zich dat er echt iets mis was met zijn ooit-die-hard feministe. Eigenlijk was dit het soort gesprek voor de HR-manager of de bedrijfsarts, dacht hij, maar ze zit hier nu toch. En wat moet je met een vrouw met een zelfverbrandde taart? Hij kon hem niet weigeren, maar opeten was ook geen aantrekkelijke optie. Dus luisterde hij maar.

Heel heel binnenkort, maar toch niet zo heel erg binnenkort, ziet Dicht-dichtbijland er anders uit. De Dicht-dichtbijlanders lijken wel ontdooid, ze duiken niet meer bang weg in hun kraag als je ze groet, ze lachen vriendelijk terug en vragen wie je bent. Ze kennen zichzelf, en zijn nieuwsgierig naar de ander. Waar het precies aan lag, zal LachWang niet helemaal duidelijk zijn, maar het was begonnen met een kentering in Krantenland, kort nadat ze daar weg was gelopen..

Op een dag had de krant de voorpagina geopend met een serie straatportretten en de slogan ‘1 week anders’. Die week had de krant alleen maar verhalen gepubliceerd van onbekende mensen, van mensen op straat, mensen achter de geraniums en mensen achter de tralies. Al op de tweede dag, hadden de drukpersen extra uren moeten draaien, de kranten waren niet meer aan te slepen. Ze las als een geschreven soap, waarin iedereen zelf de hoofdrol speelde. In de trein lachten mensen bij het lezen van grappige bekentenissen, bij de slager vroegen ze opeens om een ‘lapje van dat vlees waar die mevrouw op pagina 4 stoofpotjes mee maakt’.

Na die week was de omzet zo gestegen, dat de krant zijn aanpak veranderde: in het vervolg lieten ze machthebbers altijd met betrokkenen in discussie gaan, en gaven ze volop ruimte aan mensen uit alle hoeken. Ze printten geen ‘feiten’ meer, maar gebruikten thema’s waarbij plaats was voor verwondering en meerduidigheid. Ideeën uit Dicht-Dichtbijland, maar ook uit landen als Ver-Verwegistan en Heel-Dichtbij-Daar-Om-Die-Hoek. Er kwamen zelfs leuke verhalen in de krant, het werd weer gezellig om te lezen! Nu waren het niet langer de adverteerders maar de lezers die de krant betaalden, en die wilden geen chronische depressie. Andere media volgden.

Die zomer voelde LachWang zich weer het LachWangetje van vroeger. Dingen die ze zich jaren niet herinnerd had, kriebelden nu in haar gedachten als een zwerm lentevlinders. Ze dacht met een glimlach terug aan het kleine LachWangetje dat ze ooit zo onnozel vond, het meisje dat iedereen vrolijk maakte en hielp waar ze kon. Het meisje dat haar toekomst baseerde op oma’s verhalen. Ze keek om zich heen. De Dicht-dichtbijlanders leken opeens niet zo anders meer.

Een oud dametje wilde oversteken. LachWang aarzelde even, maar liep naar haar toe. De dame toonde geen spoor van angst, maar accepteerde dankbaar haar arm. Samen staken ze over. Ze keken elkaar aan en lachten. ‘Fijn dat je me helpt, kind’, zei de dame, ‘dat dat nog eens zou kunnen.’ LachWang knikte. Tevreden gingen ze uit elkaar, en ze leefden nog lang en gelukkig. Allemaal.


Fouzia Outmany is sociologe en heeft haar roots in Afrika. Ze studeerde sociologie, parttime filosofie en vakken met betrekking tot ontwikkelingsproblematiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Islamic Studies aan de University of Wales en Engels aan de university of Gloucestershire in Engeland. Haar interesses gaan o.a. uit naar emancipatiediscoursen en theoretische sociologie en filosofie.  Ze werkt als onderzoeker bij de hogeschool INHolland Zuid.

Klaartje Jaspers; mama, uitvindster en woekeraar. Officieel is ze ontwikkelingsdeskundige en journalist, maar daar schaamt ze zich wel eens voor. Daarom probeert ze met haar Zambiaans-Nederlandse stichting Kambisa!BeHeard. meer media-leken aan het woord te krijgen, en ook hun verhalen te verspreiden.

avatar

Wij Blijven Hier werd in 2005 opgericht, omdat ze vonden dat ze er nog niet waren. Inmiddels zijn ze 3000 bijdragen rijker, die vrijwillig door beginnende én gearriveerde verhalenvertellers worden geschreven. Verschillend van columns, persoonlijke ervaringen tot verborgen nieuwsfeitjes. Ze kijken op hun eigen manier tegen de wereld aan, en vertellen zélf het verhaal. Wie zijn ze? Kijk om u heen. Want ze zijn hier. Zij Blijven Hier!

Lees andere stukken van Wij Blijven Hier!