Voorpagina Ervaringen

Een ervaring van dood en leven

Het gereedmaken van een lichaam voor de begrafenis brengt een unieke nabijheid van God teweeg, schrijft de Zuid-Afrikaanse Khadija Patel.

Toen ik voor het eerst leerde hoe ik het lichaam van een overledene moest wassen en in een doodskleed moest wikkelen, zat ik nog op de middelbare school. Ik herinner me de levensgrote pop die de docent gebruikte om de klas te laten zien hoe je op een goede wijze het dode lichaam in zeven ongestikte doeken moest wikkelen. Het grootste belang dat ik aan de demonstratie hechtte was dat het een onderdeel van het eindejaarsexamen zou uitmaken. De dood voelde toen nog als iets wat zeer ver weg was, zodat deze kennis ook ver van ons realiteitsbesef bleef.

Twee jaar later stond ik echter tegen de uitstekende rand van een stalen badtafel, die haastig de keuken van mijn oom was binnengebracht in Pretoria.  Mijn oma was enkele uren eerder overleden.

Ik herinner de familieleden om me heen, die me aanmoedigden om mee te helpen om mijn oma te wassen. De ervaring was surreëel, alsof het buiten me om plaats vond. De schok van die laatste paar uren verdoofde me zodat ik niet door had dat het lichaam van iemand van wie ik hield, nu  voor me lag en werd voorbereid om in de aarde neer te laten, zodat ik haar nooit meer zou zien.

Die les die ik geleerd had op school kreeg opeens waarde in het echte leven, maar toen het mijn eigen oma was – en niet een pop- die voor me lag, kwam de theorie van die rituelen mij opeens leeg voor.  Toch was het de theorie, die lessen die ons ingeprent werden op school en op de madrassa, die ons  de absolute waarde van ghusl leerden (de grote rituele wassing, in dit geval van het lichaam van de overledene -vertaler).

Het staat omschreven als een fard kifayah, een verplichte handeling die , als ook maar een persoon uit de gemeenschap deze verricht, vervalt voor de rest van deze gemeenschap. Echter, als niemand deze plicht vervult, dan wordt dit beschouwd als een nalatigheid van de gehele gemeenschap.

Desalniettemin, wanneer het verdriet nog vers is, zul je het niet als een gemeenschappelijke verplichting beschouwen die je voorschrijft wat je moet doen. En als  je helemaal niet geraakt bent door verdriet, trots als we zijn op ons drukke bestaan, zul je er al helemaal niet bij stil staan wat de dood voor administratie oplevert. We vinden het dan vanzelfsprekend dat er iemand zal zijn met voldoende tijd en de benodigde kennis om het voor ons te verzorgen of voor degenen van wie we houden.

Vrijwilligers

Maar ergens gedurende de afgelopen zes jaar in centraal Johannesburg, was er een gerede angst dat er geen vrouwen zouden zijn die de doden zouden kunnen wassen en in kleden konden wikkelen.

Daarom werden mijn zus en ik vrijwilliger bij een maatschappelijke vereniging  in Fordsburg. De twee vrouwen, die met regelmaat de supervisie hadden over het wassen en kleden van overleden moslimvrouwen in dit gedeelte van Johannesburg, werden oud.  Het hoofd van een van de maatschappelijke verenigingen was bijzonder bezorgd dat, wanneer deze twee tannies (tantes) overleden, er geen andere vrouwen meer zouden zijn met de benodigde kennis om de doden te wassen.

“De lucht was nog vol van kamfer en wierook, terwijl ik iets leerde over het deel uitmaken van een gemeenschap en het dienen van mensen zonder er iets voor terug te verwachten, met soms slechts het meest vluchtige bedankje.”

Dat het hoofd nu dood is en de twee vrouwen nog steeds in leven zijn is de gemene ironie van het lot.

Mijn zus en ik werden uitgekozen om het werk over te nemen van Ayesha Baai en Choti Baai, zoals de  twee oudere dames lieflijk bekend staan. Maar we moesten eerst met hen werken, van hen leren en hen helpen zoveel als we konden. Ik zou niet direct zegen dat mijn zus en ik enthousiast waren om inval-toekamannies te worden, zoals de dames die de overledenen wassen en in kleden wikkelen bekend staan in de Malay gemeenschap. We accepteerden echter het belang van het werk dat ze doen – onbetaald en anoniem werk, waarmee ze een religieuze plicht vervullen tegen de achtergrond van het leven van alledag.

Dienstbaarheid aan de gemeenschap

De lucht was nog vol van kamfer en wierook, terwijl ik iets leerde over het deel uitmaken van een gemeenschap en het dienen van mensen zonder er iets voor terug te verwachten, met soms slechts het meest vluchtige bedankje.

En het was ook niet echt morbide werk.

Voor de aankomst van het lichaam, lachten we en maakten de twee oudere dames grappen over elkaars leeftijd, met gemak schakelend tussen Engels en Gujarati. Ze klaagden over de kwaliteit van de doeken en verzekerde ons dat, door hun weigering om de douche te gebruiken die aan de badtafel bevestigd zat en in plaats daarvan kruiken met water te gebruiken, we de dode vrouwen die we wasten van meer respect zouden voorzien.

“De mannen gebruiken gewoon de douche, heb ik gehoord,” zei Ayesha Baai terwijl ze haar hoofd schudde… Ze verzekerde ons, en misschien zichzelf ook wel, dat wij de overledenen  voorzichtiger zouden behandelen, met meer respect en met meer empathie.

Waardigheid voor de overledene

Ons geklets en gelach stopte meteen wanneer de diep bedroefde familie binnenkwam. Vervolgens werd er een lichaam door de mannen naar binnen gedragen en op de badtafel gelegd. Wanneer de mannen vervolgens naar een voorkamertje verdwenen en de deur achter zich sloten, begonnen wij.

In het algemeen ben ik wat angstvallig rondom de dood. Maar in die ruimte werd mijn natuurlijke aanleg om ineen te duiken snel in de kiem gesmoord. Onze nadruk ligt op het veilig stellen van de waardigheid van de overledene – wat er ook gebeurt – en dat beschermde me tegen de mogelijke gevolgen van bloederige aanzichten, maar het leerde me ook een les om het persoonlijke te respecteren, om het individu zelfs in de dood te respecteren.

Met de tijd gleden mijn zus en ik in onze rollen. We wisten wat we moesten doen. Grote stukken watten  afscheuren. Kamfer vermalen. Grote doeken vinden om het lichaam mee te bedekken. Emmers met lauw water vullen. Er zeker van zijn dat het water lauw is, zonder je handen erin te steken en het te verontreinigen.

Aan de andere kant van de ruimte, rolden twee van ons de kafn uit – de zeven witte, ongestikte doeken, waarin de overleden vrouw  zal worden gewikkeld nadat zij gewassen is.

Er was een bepaalde methode, een zuiverende routine die me iets te doen gaf als ik niet wist wat ik moest zeggen tegen de familie van de overledene. Vaak stond ik naast de emmers water, dompelde er kruiken in en gaf deze door aan de tannies en de familieleden, terwijl ik hen aanmoedigde om het voorbeeld van de twee oudere dames te volgen: doe zoals zij doen en zeggen en wees vooral niet bang.

Laatste rituelen

Er waren ook momenten dat de tantes niet in de stad waren, of niet beschikbaar. Plotseling moesten mijn zus en ik een kamer vol betraande vrouwen leiden in het geven van de laatste rituelen aan hun geliefde. In zeker één geval moesten we terugvallen op de boeken die we op school gebruikt hadden, zodat we zeker wisten hoe we de kafn moesten wikkelen. De verantwoordelijkheid was immens.

Het is nu alweer enkele jaren geleden dat ik voor het laatst heb geholpen met het wassen van een overleden vrouw. Het was zeker geen bewuste keuze om te stoppen met vrijwilligerswerk. Ik was een paar keer niet beschikbaar toen ze belden.

Vervolgens stopten de telefoontjes helemaal. En hoewel de beide tannies nu te oud en fragiel zijn om de ghusl en de kafn te verrichten, heb ik gehoord dat er twee andere vrouwen zijn die nu zijn voorbestemd om de toekamannies van centraal Johannesburg te zijn. Al die angst dat er niemand was om deze plicht te vervullen bleek ongegrond te zijn.

Zolang mensen als moslims begraven willen worden, denk ik dat er altijd iemand zal zijn op wie zij zich kunnen beroepen, iemand met de ervaring of  theoretische kennis en die weet wat er in die laatste uren gedaan moet worden.

Die paar maanden zijn altijd bij me gebleven. De herhaalde ervaring van de dood in de ogen kijken alsof het routine was, zorgde voor een unieke vorm van contemplatie en voor een bewustzijn van de dood.

Nabijheid van God

Als kind leerde ik dat God dichterbij mij is dan mijn halsslagader. Hij is dichtbij, niet veraf. Hij bestaat in mijn wezen, niet in de hemel die over mij heen hangt.

Hoewel dichtbij hier fysieke nabijheid betekent, realiseer ik me dat het ook  de noodzaak van God oproept  voor leven en dood. Het heeft me ook herinnerd aan het feit dat een relatie met God vaak precair is; het is al vatbaar voor  de het uitgeklapte  lemmet  van een stiletto.

“Als kind leerde ik dat God dichterbij mij is dan mijn halsslagader. Hij is dichtbij, niet veraf. Hij bestaat in mijn wezen, niet in de hemel die over mij heen hangt.”

Toch is met het ouder worden dit onwrikbare geloof in de nabijheid van God gaan wankelen. Ik ben niet gestopt met geloven. Maar hoe langer ik leef, hoe drukker ik ben geworden; het vuil van deze wereld heeft me soms de nabijheid van God doen vergeten.

Hoewel ik altijd heb geweten dat een poging om die nabijheid te herbevestigen niet afhangt van een simpele knieling voor Hem, heeft de ervaring van het vervullen van een gemeenschappelijke plicht me de kans gegeven om te reflecteren; over mijzelf en de ander; over het individu en de gemeenschap.

En hoe we samen komen – in leven en dood – in Zijn naam.

Khadija Patel is een writing fellow van Witwatersrand’s Institute for Social and Economic Research.  Dit stuk is vertaald door Noureddine Steenvoorden en is eerder verschenen op Mail & Guardian.

photo credit: seyed mostafa zamani via photopin cc

avatar

Wij Blijven Hier werd in 2005 opgericht, omdat ze vonden dat ze er nog niet waren. Inmiddels zijn ze 3000 bijdragen rijker, die vrijwillig door beginnende én gearriveerde verhalenvertellers worden geschreven. Verschillend van columns, persoonlijke ervaringen tot verborgen nieuwsfeitjes. Ze kijken op hun eigen manier tegen de wereld aan, en vertellen zélf het verhaal. Wie zijn ze? Kijk om u heen. Want ze zijn hier. Zij Blijven Hier!

Lees andere stukken van de WBH Redactie