Voorpagina Algemeen, Jouw Dagelijkse Dosis, Jouw Dagelijkse Dosis 2014 / 1435

Juz’ 8 – Tien Geboden

Dit is deel 8 van Jouw Dagelijkse Dosis. Iedere dag in Ramadan schrijft een team van schrijvers een reflectie over de juz’ die praktisch de hele oemmah die dag leest. Alle lezers worden uitgenodigd hetzelfde te doen, en hun eigen reflectie op de juz’ van de dag in de reacties te plaatsen. Iedere dag kiest een jury de beste reflectie. De winnaar krijgt een exemplaar van De Levende Koran thuisgestuurd.

Minimaal zeventien keer per dag vragen wij Allah in ons gebed ons op het rechte pad te leiden (ihdinā al-ṣirāṭ al-mustaqīm). Dat we Allah dat vragen, geeft aan dat eigenlijk niemand van ons met zekerheid kan stellen dat hij zich op het rechte pad bevindt. Zeventien keer per dag spreken we zo onze afhankelijkheid uit van de leiding van Allah, in het tonen van wat goed is.

Waar wij middels deze smeekbede in soera al-Fātiḥa die fundamentele onzekerheid over het bewandelen van het rechte pad uitspreken en ons aan Allah overgeven voor Zijn leiding, geeft Allah onmiddellijk daarna in soera al-Baqara ons een stukje houvast en een goede wegwijzer: Dit is het Boek waaraan geen twijfel is, een leidraad voor de Godsbewusten (Q2:2). Hij geeft klip en klaar aan waar de aanwijzingen voor het rechte pad te vinden zijn: in de Qur’an.

En inderdaad, wanneer we het rechte pad zoeken in de Qur’an, stuiten we op een vrij concrete beschrijving van wat Allah van ons verlangt. In een drietal verzen in Juz’ 8 geeft Allah nadere uitleg van wat dat rechte pad is, waaruit de ethiek van een gelovige behoort te bestaan. Deze verzen worden vaak aangeduid als de tien geboden van de islam:

Zeg: “Kom, ik draag jullie voor datgene wat jullie Heer jullie heeft verboden: 

– dat jullie niets met Hem mogen vereenzelvigen, 

– en dat jullie je ouders goed moeten behandelen, 

– en dood jullie kinderen niet uit [vrees voor] armoede. Wij zorgen voor jullie en voor hen. 

– En blijf uit de buurt van onbetamelijke daden, hetzij openlijk of in het geheim, 

– en beneem niemand het leven die Allah onschendbaar heeft verklaard, behalve wanneer dat terecht is. Dit is hetgeen Hij jullie heeft bevolen, opdat jullie wellicht verstandig zijn. 

– Beheer het eigendom van de wees, totdat hij volwassen is, niet anders dan op de beste wijze. 

– En geef de volle maat en het volle gewicht met rechtvaardigheid. Wij belasten niemand boven zijn vermogen. 

– En wanneer jullie spreken, wees rechtvaardig, zelfs wanneer het een bloedverwant betreft, 

– en vervul het verbond van Allah. Dit is hetgeen Hij jullie vermaant, opdat jullie je dat wellicht ter harte nemen. 

– Dit is Mijn pad, dat recht is. Volg het dan. En volg geen andere wegen die van het pad van Allah afleiden. Dit is waartoe Hij jullie vermaant, opdat jullie wellicht godvrezend worden. (Q6:151-53)

Het zijn deze stelregels die de moraal vormen die God verwacht van de gelovigen. Wanneer je deze punten naleeft, laat Allah merken in het laatste vers, bevind je je op het rechte pad (al-ṣirāṭ al-mustaqīm) van Allah, het enige pad dat navolgenswaardig is. Een pad dat tot overtreding van één van deze regels leidt, kan niet anders dan een pad van dwaling zijn.

Wat mij enorm aanspreekt in deze passage, is de betrekkelijke eenvoud van wat Allah van ons vraagt. Ik bedoel niet dat het eenvoudig is hiernaar te leven, integendeel. Wat ik bedoel is dat deze verzen eigenlijk nauwelijks interpretatie of exegese behoeven. Je hoeft geen geleerde te zijn om te begrijpen wat Allah hier van je verwacht. Je hoeft je niet in te laten met ingewikkelde theologische discussies, geen Aristotelische logica te begrijpen, niet het verzamelde werk van Gadamer en Derrida door te spitten om te begrijpen wat Allah je hier probeert te leren. Ook een ongeschoold iemand kan deze verzen direct begrijpen en pogen ernaar te handelen.

Wanneer we over onze religie discussiëren, zo is mijn indruk, zijn we geneigd deze eenvoudige verzen simpelweg te negeren. Zelden zullen we onszelf of elkaar bevragen over in hoeverre we deze regels nu eigenlijk naleven. Ben ik op de goede weg? Liever vermijden we moeilijke vragen over makkelijke verzen, en voeren we in plaats daarvan makkelijke discussies over moeilijke verzen. Daarmee kunnen we onszelf immers verheffen boven anderen, onze intellectuele superioriteit tonen, identiteitspolitieke spelletjes voeren, elkaar uitsluiten etc. Iedereen die weleens op internet over de islam leest, begrijpt wel wat ik bedoel.

Ook in Juz’ 8 zit zo’n aya: Q7:54, waarin Allah Zich op Zijn Troon ‘vestigt’ (istiwāʾ). Het is voor geleerden in de hele islamitische geschiedenis een geschilpunt geweest wat hier precies mee bedoeld wordt, en of het al dan niet metaforisch uitgelegd dient te worden. Vaak verliezen wij leken (dat geleerden er in onze geschiedenis met elkaar over gedebatteerd hebben is even logisch als noodzakelijk) onszelf gretig in zulke discussies, en doen we alsof onze hele religie ermee staat of valt. Wat ik me soms afvraag, is of we ons eigenlijk niet druk maken over die kwesties, alleen om een excuus te hebben om de verzen te negeren waarin Allah werkelijk iets van ons verwacht? Zoals sommige christenen vluchten in discussies over predestinatie en de drie-eenheid, om het maar niet over de Bergrede te hoeven hebben, waar Jezus écht iets van je vraagt? Welke verzen verdienen nou eigenlijk meer overpeinzing, discussie en radicale actie: bovenstaande eenvoudige, maar confronterende verzen over al-ṣirāṭ al-mustaqīm, of het moeilijke vers van istiwāʾ? Waar ligt de werkelijke uitdaging?

Het doet me denken aan een anekdote van een leraar van me. Met ‘Eid (de islamitische feestdag) had hij een aantal bevriende geleerden op bezoek. Twee van hen raakten in verhit debat verwikkeld over een overlevering waarin de Profeet stelt dat Allah het laatste derde van de nacht neerdaalt om het gebed van Zijn dienaar te verhoren. Hoe moet dat nou geïnterpreteerd worden? Kunnen we dat letterlijk stellen over Allah? Beweer je dan niet dat hij aan tijd en plaats gebonden is? De emoties liepen hoog op, en de goede sfeer van de feestdag stond op het spel. Toen kwam het broertje van mijn leraar, een hadith-geleerde, tussen beide met een eenvoudige vraag: “Wie van jullie twee staat eigenlijk het derde deel van de nacht op om zich nederig tot Allah te richten?”

Willen we moreel handelen omwille van Allah, of willen we vooral slimme argumenten voeren om onszelf boven de ander te kunnen plaatsen? Kiezen we voor een radicaal transformerende ethiek, of voor identiteitspolitiek? Ik ben benieuwd welke weg we in de reacties zullen kiezen.

Foto: Dorena

Jouw Dagelijkse Dosis:

Jouw Dagelijkse Dosis 2014 / 1435:

avatar

Pasha Cayman is dol op tafsir. Hij leest zich dan ook ’n slag in de rondte, van middeleeuwse commentaren tot moderne interpretaties. Maar het leukste vindt hij de Qur’an te lezen met ‘n blik op de toekomst, en de aayaat al-aafaaq wa’l-anfus, de tekenen van de schepping en de menselijke geest, te verbinden met God’s eeuwige woord. Pasha gelooft dat de Qur’an als elektriciteit is: als jij er geen fouten mee maakt, gaat de waarheid zijn natuurlijke weg. Hij krijgt dan ook regelmatig stroomschokken, maar overleeft het vooralsnog.

Lees andere stukken van Pasha