Voorpagina Ervaringen, Persoonlijk

Een middag in september, 2001

Ik steek mijn handen dieper in mijn zakken tegen de kou, en loop richting de moskee. Het huis van aanbidding, het huis van vrede en rust. Zodra ik binnen ben, neem ik plaats in de hoek op de zachte vloer. Ik verricht een gebed, en begin daarna aan de voorbereidingen voor de ‘Open Moskee Avond’. Een avond waarbij de deuren geopend worden voor eenieder die een kijkje wil nemen in de moskee. Buiten blaft een hond.

Ik kijk uit het raam, dat open staat, naar de haast verlaten speeltuin enkele meters verderop. Het regent en de schommels zijn nat. Gras en onkruid groeit wild langs het klimrek omhoog. Een jongetje van een jaar of vier vraagt aan zijn vader of hij op de wip mag. De wip die vroeger felrood was, is nu faalroze en versierd met graffiti. NRD staat er met grote letters op. Vader vindt het niet zo een goed idee, omdat de wip natgeregend is. “Morgen komen we terug Thomas, dan is het opgedroogd.” Terwijl ik toekijk hoe Thomas en zijn vader de speeltuin verlaten, dwalen mijn gedachten af naar een dinsdagmiddag in september 2001.

De wind speelde met mijn haren, terwijl ik zachtjes heen en weer zwiepte op de schommel. Ik weet nog dat het voorhoofd van de altijd zo vriendelijke speeltuinbeheerder, die dag heel wat meer lijnen had. Hij snauwde zelfs tegen één van de kinderen in de zandbak. De moskee tegenover de speeltuin opende haar deuren, en de mensen die net het middaggebed hadden verricht stroomden langzaamaan naar buiten. Het viel mij op dat er vandaag veel minder mensen het gebed hadden bijgewoond. Sommigen bleven nog even staan in kleine groepjes om na te praten, anderen haalden hun fiets van het slot en fietsten weg terwijl hun lange gewaden bij de enkels meefladderden.

Het had iets moois. Een nette wijk in Amsterdam noord, waar een speeltuin, een moskee en een christelijke basisschool netjes op een rijtje stonden.

De imaam van de moskee zag mij zitten op de schommel, en herkende mij van vroeger toen ik als ukkie elke zaterdag en zondag koranlessen bij hem volgde. Hij stak zijn hand op. “Salaam…!”, schreeuwde ik vanaf de schommel. Dat was misschien iets te hard, bedacht ik me toen. “…aleikom.”, vervolgde ik op een iets zachtere toon.

Één van de moskeegangers stak het fietspad over richting de parkeerplaats. Een oudere Nederlandse vrouw op de fiets moest hard remmen door deze onverwachte voetganger en foeterde: “Rot terroristen, flikker terug naar je woestijn.” De man verontschuldigde zich, en boog zijn hoofd. Er werden nog wat woorden gewisseld tussen haar en wat andere mannen, voordat ze weer op haar fiets stapte. Haar laatste woorden voordat zij doorreed echoden even na in mijn hoofd. Ik moest er om giechelen.

Later die dag hoorde ik wat er gebeurd was in New York. Wie daarvoor verantwoordelijk werd gehouden. Ik begreep toen dat de vrouw op de fiets dit nieuws ook moet hebben gezien.

Mijn gedachten worden verstoord door dezelfde hond die ik eerder ook hoorde blaffen. Hij kijkt me aan terwijl zijn tong een beetje uit zijn bek hangt. Ik steek mijn hand uit het raam, en aai hem over z’n kop. Zijn baasje komt aangesneld en legt hem aan de lijn. Een Nederlandse vrouw met nog twee andere hondjes.

Ik kijk haar aan en vraag: “Wilt u misschien een rondleiding door de moskee?”

Bron afbeelding: Flickr.

avatar

Haar naam is Majda. Uit gevaar voor eigen leven wordt geadviseerd direct oogcontact met haar te mijden. Oogcontact is wel mogelijk als je eerst een offer brengt in chocoladevorm. Je ziet haar zo nu en dan voorbijfietsen in haar natuurlijke habitat; Amsterdam noord. Een studente in houthakkersoverhemd, met chai in een thermosbeker en een gedichtenbundel onder de arm. Kritisch als ze is, begroet ze alles wat op haar pad komt met de vraag: “Wat is deze?!”

Lees andere stukken van Majda