Voorpagina Islam, Jouw Dagelijkse Dosis, Jouw Dagelijkse Dosis 2017/1438

Er was eens… – Juz’ 27

Inleiding
Een veelvoudig terugkerend probleem met betrekking tot het begrijpen van de Koran is het gebrek aan een chronologische vertelwijze (narratief). In het westen worden verhalen van jongs af aan op een chronologische wijze verteld: “Er was eens” eindigt met “En ze leefden nog lang en gelukkig”. Ook het grote gros aan films en series hanteert dezelfde structuur. Zelfs de centrale religieuze teksten van het westen, oftewel de teksten die de Bijbel vormen, hanteren met name een chronologische vertelwijze.

Het Oude Testament begint met “In het begin schiep God de hemelen en de aarde” (Gen 1:1) en het Johannesevangelie begint met “In den beginne was het Woord” (Joh 1:1) Vandaar dat het ook niet vreemd is dat een westers leespubliek (moslims die in het westen opgroeien niet uitgesloten) worstelen met het begrijpen van de Koran wanneer ze een dergelijk chronologisch narratief niet kunnen ontdekken in de tekst van de Koran. Met name omdat we dankzij onze grote bekendheid met de chronologische vertelwijze in bekende media een vooringenomen leeshouding hebben gecreëerd, die we (on)bewust op de Koran willen toepassen. Echter, je kan moeilijk vuur uitdoven met benzine.

Als een chronologisch narratief zoals we deze in geschiedenisboeken, sprookjes of de Bijbel tegenkomen, niet aanwezig is in de Koran, wat voor een narratief structuur vinden we dan? Om deze vraag te beantwoorden, ga ik reflecteren op essentiële kenmerken van de tekst van de Koran en deze reflecties toepassen op een aantal verzen uit hoofdstuk al-Hadid (57; deel/juz 27). Dankzij deze reflecties zal ik bij een aantal verzen in hoofdstuk al-Hadid, die op het eerste gezicht geen samenhang lijken te hebben, toch het onderliggende verband demonstreren. Hiermee wil ik laten zien dat een chronologische vertelling niet de enige wijze hoeft te zijn die een coherente samenhang van een tekst waarborgt waarmee deze begrepen kan worden.

Geschiedenis: het toneel waar Gods woord wordt geopenbaard
Het concept van ‘gebeurtenissen’ en de (na)vertelling hiervan in de Koran, moet op een juiste wijze worden ingekaderd. Bij bepaalde films en boeken kunnen we spreken van een ‘character arc’, waarbij de gebeurtenissen die worden verteld dienen om de persoonlijke ontwikkeling/transformatie van een karakter mee te delen. Een geschiedenisboek, wordt ons vaak uitgelegd, vertelt ons over een serie gebeurtenissen, zodat we weten wat er in het verleden heeft afgespeeld. Echter, in het geval van de Koran, zijn dergelijke kaders ontoereikend om te kunnen contextualiseren waarom de Koran spreekt over gebeurtenissen van het verleden.

In het eerste geval is het duidelijk: de Koran is geen roman met een bepaalde personage in de hoofdrol. Het tweede geval lijkt op eerste gezicht, vooral door mensen die geloven dat de Koran ook een geschiedenisboek is, zinnig te zijn in de context van de Koran, maar is het niet. Het bewijs is hiervoor het feit dat de Koran veelal geschiedkundige details loslaat: wie was de Farao nou precies (Ramses II? Iemand anders?) Toen een tafel uit de hemel daalde op Jezus, welke gerechten daalden mee? Op welke leeftijd stierf Jozef? Dit soort details zijn wellicht te vinden in geschiedenisboeken, maar niet in de Koran. Daarnaast zien we ook dat de Koran een verhaal herhaalt, zoals dat van Mozes, maar in sommige vertellingen andere details geeft en weer andere delen van het verhaal juist niet noemt. Wat dus wel of niet wordt verteld, wordt getoetst aan de relevantie van de boodschap van een hoofdstuk. Met andere woorden; de gebeurtenissen zijn niet an sich zinnig, en al helemaal niet binnen chronologisch volgorde, maar in de context van wat een hoofdstuk van de Koran probeert te vertellen.

De vraag nu is dan: wat probeert een hoofdstuk in de Koran te communiceren naar de mens? Natuurlijk kunnen we hier veel antwoorden op geven, echter zal ik me op twee aspecten concentreren: wie God is en hoe men moreel verantwoord dient te leven.
Wat betreft het punt dat de Koran in de kern uitleg geeft over wie God is, dit wordt voornamelijk gedaan binnen de context van bepaalde voorvallen in de geschiedenis. Door deze gebeurtenissen beter te begrijpen, leren we tevens God beter begrijpen, omdat de geschiedenis ‘het toneel is waarop God acteert’.

Een voorbeeld in de Koran waarbij dit heel sterk naar voren komt, is hoofdstuk 26: de Dichters. In dit hoofdstuk komen de verhalen van verschillende profeten aan bod. Telkens wordt een segment uit het leven van een profeet afgesloten met de volgende zinnen:

“Waarlijk, hierin [deze gebeurtenissen] zijn de tekenen [van God]. Echter, het merendeel gelooft niet. En jouw Heer is waarlijk de Almachtige Erbarmer.”

Twee namen van God worden genoemd, echter zoals ze hierboven zonder context zijn vermeld, zijn ze wellicht nog te abstract. Het is pas als we – net als de Koran – het relateren aan de voorvallen in de geschiedenis, dat we een concrete invulling, oftewel uitleg, krijgen van wie God is. In die zin blijkt uit de zondvloed die Noah redde van zijn onrechtvaardige volk zowel Gods allemachtigheid als Zijn barmhartigheid. Ook is hetzelfde het geval met betrekking tot het feit dat in hetzelfde hoofdstuk ook de worsteling van Mozes met de despoot Farao op een soortgelijke wijze eindigt: Farao verdrinkt en Mozes en zijn volk ontlopen hem en zijn soldaten, doordat God de Rode Zee in tweeën laat splijten.

Echter, behalve het feit dat de verzen uitleggen wie God is, wordt tevens ook een waarschuwing richting de gemeenschap van de Profeet gegeven: keer de Profeet niet de rug toe of onderdruk hem niet, aangezien deze houding nooit goed uitpakt. Uiteindelijk zal God de Profeet en zijn volgelingen redden uit de handen van de onrechtvaardigen. Zodoende hebben de geschiedkundige voorvallen ook een moreel gewicht en boodschap richting het lezerspubliek.

Het probleem in hoofdstuk al-Hadid
Andere hoofdstukken, zoals al-Hadid, vergen wellicht meer moeite om het bovenstaande verband tussen de genoemde geschiedenis in de Koran in relatie tot Gods identiteit en morele boodschap in te zien. In verzen 1-15 kunnen we tenminste de volgende thema’s ondervinden: Gods allemachtigheid en alwetendheid van de schepping en het lot van de hypocrieten in het hiernamaals.

Gods allemachtigheid:

  • Alles wat in de hemel en op aarde is, zingt Gods lof; en hij is machtig en wijs.
  • Hem is het koninkrijk van hemel en aarde; hij geeft leven en hij doet sterven, en hij is almachtig.

Gods wetenschap:

  • Hij is de eerste en de laatste: de blijkbare en de verborgene, en hij kent alle dingen.
  • Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep, en daarop zijn troon beklom. Hij kent datgene wat in de aarde gaat, en datgene wat daaruit voortkomt; datgene, wat uit de hemel daalt en datgene wat er in opstijgt, en hij is met u, waar u ook bent; want God ziet wat u doet.
  • Hem is het koninkrijk van hemel en aarde: en tot God zullen alle dingen terugkeren.
  • Hij doet de nacht op de dag volgen en hij doet de dag op de nacht volgen, en hij kent de binnenste delen van het hart van de mensen.

Het lot van de hypocrieten:

  • Op een zekere dag zult u de ware gelovige mannen en vrouwen kunnen zien; hun licht zal voor en aan hun rechterhanden uitgaan. Vandaag kent u het goede nieuws van tuinen waaronder rivieren vloeien; eeuwig zult u daarin verblijven. Dit is de grote overwinning.
  • Op die dag zullen de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen tot de gelovigen zeggen: Blijf voor ons, zodat wij van een beetje van jullie licht kunnen profiteren. Er zal hun geantwoord worden: Keer in de wereld terug, en zoekt daar licht. En een hoge muur zal tussen hen geplaatst worden met een deur: waar binnen genade zal wezen en daar buiten en tegenover de martelingen van hel.
  • De huichelaars zullen de ware gelovigen aanroepen, zeggende: Waren wij niet met u? Zij zullen antwoorden: Ja! maar u heeft door uw huichelarij uw eigen zielen verleid, en ons verderf verwacht. U twijfelde, en uw wensen hebben u bedrogen, tot een besluit van God kwam, en u stierf en de verleider u met betrekking tot God bedroog.

Op het eerste gezicht lijken de verzen geen verband met elkaar te hebben, aangezien de verzen verschillende thema’s aankaarten. Daarbij wil ik een laatste keer attenderen op het feit dat de verzen op geen enkele wijze een narratief vormen die chronologisch een verhaal vertelt: eerst gaat het over kruipende wezens in de aarde en daarna over huichelaars. Echter, ondanks de eerder genoemde niet-chronologische structuur, zijn de verzen wel in verband met elkaar te brengen; alleen dan niet met betrekking tot een tijdsvolgorde.

Hermeneutiek
Als we feitelijk twee thema’s schetsen naar aanleiding van de bovenste verzen, dan zien we dat de verzen eerst beginnen met het vormen van ons godsbeeld en de latere verzen met het lot van huichelaars. Ons wordt een beeld van God getekend die vrijelijk over het leven en dood heerst (‘Hij geeft leven en doet sterven’), de hemellichamen beweegt (‘Hij doet de nacht op de dag volgen en hij doet de dag op de nacht volgen’) en alles weet, ook wat er in de harten speelt (‘Hij kent de binnenste delen van het hart van de mensen’). Vervolgens wordt een beeld van de toekomst geschetst, met nadruk op het lot van de huichelaars. Met andere woorden: de herrijzenis en daarmee het lot van de huichelaars wordt pas ingeleid nadat we herinnerd en bevestigd worden in een beeld van God die vrijelijk heerst over het leven en dood. Alleen zo’n God kan de herrijzenis tot stand brengen en alleen zo’n God weet wat er in zijn schepping afspeelt, de huichelarij van mensen niet uitgesloten!

Een huichelaar is iemand die zich voordoet als een oprecht persoon en daarbij zijn echte verlangens verbergt (‘en ons verderf verwacht’). Zo’n persoon loopt de gehele dag met een masker rond en verbergt zijn ware zelf. Echter, zoals jullie al zullen raden, voor een God die zichzelf beschrijft als zichtbaar en onzichtbaar, de eerste en de laatste, oftewel alomtegenwoordig, zal niemand in staat zijn zulke geheimen te hebben. Vandaar dat God uit genade de huichelaars over hun lot vertelt, in de hoop dat mensen tot inkeer komen en oprecht worden.

Hoewel er talloze bladzijdes geschreven kunnen worden over het verkennen van de Koran in het licht van zijn unieke vertelwijze, hoop ik met de bovenstaande exegetische oefening wat handvatten uit te reiken waar eventueel andere hoofdstukken van de Koran ook duidelijker mee gaan worden. Ik heb nooit de intentie gehad om alle aspecten van de problemen omtrent het verstaan van de Koran te behandelen, maar om mensen verder aan het denken te zetten. Dit laatste wil ik met het volgende citaat van de bekende geleerde Shafi’ (d. 820) verder bewerkstelligen en mijn reflecties op de Koran daarmee afsluiten:

“Alles wat de moslimgemeenschap zegt, is een uitleg van het Profetisch voorbeeld (Soenna). Het gehele Profetische voorbeeld is een uitleg van de Koran. De gehele Koran is een uitleg van de Schone Namen en eigenschappen van God.”

Dit is deel 27 van Jouw Dagelijkse Dosis. Iedere dag in de Ramadan schrijft, presenteert of declareert een team van gasten een reflectie over de juz’ die praktisch de hele oemmah die dag leest. Alle lezers worden uitgenodigd hetzelfde te doen, en hun eigen reflectie op de juz’ van de dag in de reacties te plaatsen.

Jouw Dagelijkse Dosis:

Jouw Dagelijkse Dosis 2017/1438:

avatar

Hoewel hij geboren is in de Koerdische regio van Turkije, kwam Yusuf als baby naar Nederland. Een aantal jaren geleden voltooide hij een onderzoeksmaster aan de Vrije Universiteit met een specialisatie in de godsdienstfilosofie. Momenteel doet hij een promotieonderzoek (PhD) voor de University of Edinburgh. Zijn onderwerp gaat over hedendaagse theorieën omtrent de interpretatieleer van de Koran.

Lees andere stukken van Yusuf