Voorpagina Psychologie, World Mental Health Day 2017

Leven met psychisch geweld: een boekrecensie

Marie-France Hirigoyen. Pesten & treiteren: Psychisch geweld in het dagelijks leven. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2016.

Op fysiek geweld in de relationele en gezinssfeer heerst gelukkig al decennialang een taboe. De tijd dat het slaan van kinderen een serieuze pedagogische optie was, of de man de vrouw middels fysiek geweld ongestraft tot gehoorzaamheid kon dwingen, ligt inmiddels relatief ver achter ons. Wanneer iemand lichamelijk letsel toont, zijn we automatisch geneigd die persoon als het slachtoffer te zien en de aanbrenger van het letsel als dader te categoriseren en te verafschuwen.

Niemand zal nog serieus opperen dat het slachtoffer het er misschien zelf naar gemaakt heeft, of verzachtende omstandigheden aanvoeren voor de dader. Van je partner blijf je gewoon af, van je kinderen blijf je gewoon af, en als je dat niet doet dan heeft dat consequenties. Dat is dankzij de inzet van activisten een harde rode lijn geworden in onze hedendaagse cultuur, en dat is wat mij betreft maar goed ook.

Met psychisch geweld ligt dat veel moeilijker. Het is niet zo makkelijk te herkennen als fysiek geweld, en vindt vaak ook veel subtieler en langduriger plaats. Het is voor het slachtoffer niet makkelijk aan te tonen dat psychisch geweld structureel plaatsvindt.

Ook bestaat meer dan bij fysiek geweld bij omstanders de neiging het geweld te bagatelliseren, ervan uit te gaan dat het slachtoffer er zelf om gevraagd heeft, of het simpelweg niet te geloven omdat de dader naar de buitenwereld toe zo sympathiek overkomt.

Er is immers geen duidelijk aantoonbaar letsel, er wordt al snel gezegd dat men het zich misschien inbeeldt, overdrijft, te gevoelig is, of misschien zelf een beetje de weg kwijt is. Vaak heeft zelfs het slachtoffer niet goed door dat er iets niet in de haak is, en komt de realisatie van wat deze meegemaakt heeft pas nadat deze psychisch compleet ingestort is.

Psychisch geweld kan echter hele grote gevolgen voor zowel de geestelijke als fysieke gezondheid hebben en het slachtoffer voor het leven tekenen. Het dient dan ook minstens net zo serieus genomen te worden als fysiek geweld.

Het boek Pesten & treiteren: psychisch geweld in het dagelijks leven van de Franse psychiater, psychoanalytica en gezinstherapeut Marie-France Hirigoyen gaat in op de desastreuze gevolgen van psychisch geweld. Hirigoyen richt zich specifiek op psychisch geweld in de context van de partnerrelatie, ouder-kindrelatie en op het werk.

Het boek is opgedeeld in drie delen. In het eerste deel beschrijft de auteur verschillende casussen van psychisch geweld. Het tweede deel analyseert de gewelddadige relatie tussen dader en slachtoffer, beschrijft de giftige communicatiepatronen, de stadia waarin het geweld zich ontwikkelt, en geeft een typologie van de psyche van de dader (pervers-narcistisch) en het slachtoffer (meelevend en vitaal, zeker níet masochistisch zoals vaak wordt verondersteld). Deel 3 bespreekt de gevolgen van psychisch geweld voor de geestelijke gesteldheid en biedt praktische raadgevingen voor omgang met de situatie en psychisch herstel.

Deel 1: Psychisch geweld in het dagelijks leven
Het eerste deel van het boek is meteen een goed begin voor iedereen die wel van zichzelf vermoedt dat hij of zij met psychisch geweld te maken heeft, maar de vinger er maar moeilijk op kan leggen. Door de direct uit het leven gegrepen casussen die ze beschrijft, krijgt de lezer inzicht in hoe psychisch geweld er in de praktijk concreet uitziet. De verhalen zijn wellicht herkenbaar, en door het zo expliciet als geweld benoemd te zien worden, groeit het zelfvertrouwen om dat ook bij je eigen situatie zo te durven benoemen.

Zo passeren perverse machtsspellen in het huwelijk de revue –vaak met de kinderen als kanonnenvoer-, meedogenloze vechtscheidingen waarbij de een de ander middels extreme manipulatie willens en wetens geestelijk kapot probeert te maken en als de boosdoener te framen, ouders die hun eigen kinderen structureel minderwaardigheid aanpraten, emotioneel verwaarlozen, geestelijk mishandelen of seksueel intimideren, en medewerkers die elkaar ziek treiteren.

Rode draad in deze casussen is dat de dader geen verantwoordelijkheid neemt voor het eigen gedrag, terwijl het slachtoffer –vaak niet bewust van de giftige dynamiek waar deze in zit- alles steeds weer op zich neemt en zich inschikt, tot het punt dat deze breekt en vervolgens als geestelijk labiel of als zelf kwaadaardig afgeschilderd wordt.

Deel 2: De perverse relatie
In het tweede deel gaat Hirigoyen dieper in op de kenmerken van een perverse relatie, en schetst ze een profiel van dader en slachtoffer. Voordat ze deze gedetailleerde karakterbeschrijving geeft van dader en slachtoffer, beschrijft ze de stadia waarin psychisch geweld zich voltrekt. Dit begint volgens haar met een stadium van perverse verleiding, en eindigt in een stadium van openlijk geweld.

Deze stadia beschrijft ze gedetailleerd, indringend, en -wederom- herkenbaar. Het stadium van perverse verleiding heeft volgens haar tot enige doel “bij het slachtoffer het unieke object van diens fascinatie te vinden: namelijk het beminnelijke beeld dat de verleider van zichzelf heeft.” Alles draait alleen om de behoeftes van de dader, de eigen wil en het besef van de eigen behoeftes van het slachtoffer worden langzaam afgebroken.

Om dit te bereiken zaait de perverse narcist langzaam verwarring bij het slachtoffer middels sluwe communicatietactieken. Dit moet in haast onmerkbaar kleine stapjes en met de schijnbaar vrijwillige medewerking van het slachtoffer, omdat het creëren van geestelijke afhankelijkheid alleen werkt als de ander niet expliciet doorheeft dat deze zich feitelijk overgeeft aan de narcistische wensen van de ander.

Alles speelt zich in dit stadium af via passief-agressieve communicatie: het een wordt gezegd terwijl het ander bedoeld wordt, er wordt subtiel gelogen, er worden sarcastische opmerkingen gemaakt, het slachtoffer wordt uitgelachen en geminacht. De dader weigert soms rechtstreekse communicatie, geeft silent treatment die soms wel weken kan duren, spreekt geregeld in een kille toon en legt zo langzaam de macht op aan het slachtoffer.

Zo ontstaat een communicatiepatroon waarbij de ander langzaam van diens eigenwaarde beroofd wordt, de eigen wil niet meer durft te uiten, en zich twijfelend aan de eigen psychische gesteldheid en eigen onafhankelijke levenskracht totaal overgeeft aan de ander. Zoals de auteur zelf zegt:

Psychisch geweld sluipt ongemerkt de relatie binnen, soms met een masker van mildheid en welwillendheid. De partner is zich er niet bewust van dat er geweld plaatsvindt, en kan in sommige gevallen zelfs de illusie koesteren dat hij zelf de regels bepaalt. Nooit is er sprake van openlijk conflict. Het feit dat deze vorm van geweld ondergronds kan plaatsvinden, wordt veroorzaakt door een verregaande misvorming van de relatie tussen de perverse narcist en zijn partner. (p.117)

Als die psychische machtsovername eenmaal bereikt is, het slachtoffer beseft dat er iets niet klopt en mondjesmaat begint te reageren op de manipulatietechnieken en probeert grenzen aan te geven, breekt het stadium van openlijk psychisch geweld aan.

De dader toont nu openlijk diens haat, wordt openlijk sarcastisch, scheldt het slachtoffer uit en krenkt deze aanhoudend. De eigen slechte intenties worden op het slachtoffer geprojecteerd. Nu deze het lef heeft zich te verzetten tegen de geestelijke terreur, wordt deze beschuldigd van allerlei slechte karaktereigenschappen en kwaadaardige bedoelingen.

Alles wordt in het werk gesteld het slachtoffer en diens omgeving te overtuigen van de eigen kwaadaardigheid. Het is daarmee ook een uiterst manipulatieve fase: alles en iedereen wordt tegen het slachtoffer opgestookt, de gehele sociale omgeving wordt –niet zelden zonder succes- overtuigd van de kwaadaardigheid van het slachtoffer en de onschuld van de dader.

Het slachtoffer wordt zo steeds verder in het nauw gedreven, geïsoleerd en uiteindelijk tot waanzin gebracht. Het slachtoffer stort psychisch in elkaar en vecht in het ergste geval nu ook gedreven door wanhoop met kwaadaardige middelen terug.

Daarmee heeft de dader ook meteen het ‘bewijs’ aan de omgeving geleverd: deze had klaarblijkelijk inderdaad met een emotioneel labiel en kwaadaardig persoon te maken. De wil om het slachtoffer te geloven en steunen verdwijnt daarmee en deze is nu definitief helemaal op zichzelf aangewezen.

Typologie van de dader en het slachtoffer
Wat kan er over de dader gezegd worden? De dader lijdt meestal in mindere of meerdere mate aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dit is een in de DSM-V opgenomen stoornis die gekenmerkt wordt door grootheidswaan, extreem egoïsme, gebrek aan empathie, gewetenloosheid, en het externaliseren van schuld en verantwoordelijkheid voor eigen destructief gedrag. De dader kan geen vitalisme uit zichzelf halen en voedt zichzelf met de levensenergie van de slachtoffers, een vorm van vampirisme.

En het slachtoffer? Hirigoyen vindt dat het slachtoffer er eigenlijk niet veel aan kan doen: “Het slachtoffer is slachtoffer omdat de perverse narcist dat zo heeft bepaald (p. 142).” Vaak is er door psychoanalytici gesuggereerd dat slachtoffers in een geweldsrelatie bewust het geweld opzoeken, masochistische trekken hebben en in zekere zin dus medeplichtig zijn. Daartegen verzet de auteur zich met klem.

Ook verzet ze zich met klem tegen het idee dat de slachtoffers ‘zwak’ zijn en er in die zin zelf ook een aandeel in hebben. Het kan volgens haar werkelijk iedereen overkomen, ook (soms zelfs juist) mensen die psychisch redelijk normaal functioneren en hun leven goed op orde hebben.

Ieder mens heeft kwetsbare delen in zijn psyche, zwakke plekken en vergeten jeugdtrauma’s, die de perverse narcist feilloos weet op te sporen en uit te buiten. Als er al typische eigenschappen van het slachtoffer zijn, dan is dat volgens Hirigoyen een gezonde dosis schuldbewustheid en vitaliteit. Juist die gezonde, constructieve geestelijke eigenschappen worden genadeloos uitgebuit door de perverse narcist.

Met die boodschap gaat Hirigoyen zonder deze expliciet te noemen in tegen de codependency-theorie die uitgaat van een soort ‘herhalingsdwang’ bij het slachtoffer. Deze theorie stelt dat een toegeeflijk, inschikkend, overdreven wegcijferend en behulpzaam karakterpatroon in de jeugd ontstaat als gevolg van de opvoeding door een narcistische ouder.

Een codependent persoon blijft volgens deze opvatting de rest van zijn leven uit herhalingsdwang narcisten aantrekken, omdat deze de geestelijke uitbuiting en mishandeling gewend is en zich er vertrouwd mee voelt: de pijn uit de kindertijd wordt onbewust steeds opnieuw opgezocht. Dit idee van sadomasochisme bij het slachtoffer vindt Hirigoyen veel te ver gaan, en eigenlijk een verkapte beschuldiging van medeplichtigheid aan het geweld. Daar kan volgens haar geen sprake van zijn en zal het toch al misplaatste overmatige gevoel van verantwoordelijkheidsgevoel, schuld en twijfel bij het slachtoffer alleen maar stimuleren.

Deel 3: De gevolgen voor het slachtoffer van psychisch geweld en de eerste aanval
Het laatste deel toont de gevolgen voor de psyche van het slachtoffer. Het beschrijft de verschillende fases van geestelijke aftakeling waar het slachtoffer doorheen gaat, van terugtrekking, verwarring en twijfel in het beginstadium, leidend tot steeds grotere permanente stress, tot angst en isolement, op de langere termijn culminerend in psychische shock en ‘decompensatie’.

In deze laatste fase heeft het slachtoffer typische traumaklachten ontwikkeld die veel weg hebben van ptss, een angststoornis of depressie. Het slachtoffer is uitgeblust, opgebrand, heeft flashbacks en herbelevingen, vertoont vermijdingsgedrag om maar niet aan het trauma te hoeven denken en ontwikkelt zodoende allerlei angsten.

Vaak is dit ook de fase waarin voor het eerst psychische hulp gezocht wordt, het slachtoffer begint te realiseren onder wat voor agressie deze al veel te lang gebukt gaat, en waar een beslissing genomen wordt om ofwel de dominantie van de dader definitief te accepteren, of om zich te verzetten en het gevecht aan te gaan om weg te gaan bij de dader, met een nieuwe cyclus van psychisch geweld tot gevolg.

Wat het slachtoffer ook kiest, professionele psychische hulp is noodzaak geworden. De weg naar herstel wordt in dit deel dan ook besproken, hoe men met behulp van een therapeut het trauma kan leren (h)erkennen, het kwaad leert durven benoemen, leert zien hoe men uit de situatie kan geraken, en hoe het slachtoffer zich los kan maken van een allesverlammend schuldgevoel wat zo karakteristiek is voor dit type misbruik.

Genezing is mogelijk met goede hulp, dat is de hoopvolle boodschap van het laatste hoofdstuk van het boek. Moeilijk bij dit herstel is de grote behoefte aan erkenning bij het slachtoffer voor wat deze meegemaakt heeft. Dit is iets wat deze niet hoeft te verwachten van de dader. Die bezit immers niet de capaciteit tot zelfreflectie of schuldgevoel:

Andermans leed is van geen enkel belang. Als er al spijt is, dan leeft die bij de omgeving, bij diegenen die stilzwijgende getuigen of medeplichtigen zijn geweest. Zij kunnen spijt betuigen en iemand die zo vernederd is geweest, zijn of haar gevoel van eigenwaarde terugbezorgen. (p. 173)

Mijn decompensatie
Het lezen van dit boek was voor mij een grote steun. Twee jaar geleden ben ik zelf na jarenlange blootstelling aan psychisch geweld compleet ‘gedecompenseerd’ zoals dat in vakjargon heet. Uiteindelijk heb ik drie (deels overlappende) diagnoses gekregen: paniekstoornis met agorafobie, depressie en ptss.

Dit boek heeft me heel goed geholpen te begrijpen met wat voor schadelijke mechanismes ik in mijn privé-relaties te maken gehad heb. Het heeft me vooral geholpen überhaupt in te zien dat ik lange tijd in een abnormale omgeving gezeten heb, en geholpen de schuldvraag wat meer te externaliseren. Ook ik was net als de beschreven gevallen in het boek geneigd mezelf van alles de schuld te geven, het boetekleed voor allerlei aangeprate fouten aan te trekken en mezelf juist eerder als dader te classificeren.

Het heeft me ook helpen begrijpen dat wat me overkomen is iedereen had kunnen overkomen. Het zegt niet iets fundamenteels over mijzelf en mijn waardigheid als mens dat ik slachtoffer van psychisch geweld geworden ben.

Ik ben niet zwak, of een watje (ok een beetje wel, maar niet hierom) dat ik zo over me heen heb laten walsen. Ik heb simpelweg pech gehad met pervers-narcistische karakters die ik om me heen gehad heb in bepalende levensfases. Dat is niet iets wat ik over mezelf afgeroepen heb, dat is iets wat simpelweg gebeurd is.

Dankzij de juiste professionele hulp en steun van goede vrienden gaat het inmiddels veel beter met me. Dat is iets wat ik iedereen gun, en wat ook echt binnen handbereik ligt, hoe donker en uitzichtloos het ook kan lijken wanneer je er middenin zit.

‘Mannelijkheid’ en psychisch geweld
Dit stuk is bewust zoveel mogelijk genderneutraal geschreven. Vaak wordt er bij een geweldsrelatie per definitie vanuit gegaan dat daders mannen zijn en slachtoffers vrouwen. Waar dit bij fysiek geweld vaak (maar ook zeker niet exclusief) wel het geval is, is dit bij psychisch geweld zeker niet zo.

Ook vrouwen kunnen dader zijn, ook mannen kunnen slachtoffer zijn. Als je man bent, schaam je ook dan niet om hulp te zoeken. Het gebeurt vaker dan je denkt en het zegt helemaal niets over je gebrek aan ‘mannelijkheid’ als dit je overkomt. Sterker nog, die negatieve gedachte over jezelf is misschien juist een strategie uit het repertoire van je misbruiker om je vast te houden in diens web.

Zoek hulp!
Herken jij je ook in dit verhaal? Dan hoop ik van harte dat je de kracht en moed vindt om hulp te vragen om met de situatie om te gaan. Neem iemand in vertrouwen bij wie je je veilig voelt, van wie je weet dat deze werkelijk naar je luistert, die niet te impulsief of emotioneel zal reageren en die niet zomaar te manipuleren is door de dader om jouw verhaal niet te geloven.

Je familie zal bijvoorbeeld misschien te veel in een negatieve beschermreflex schieten, de situatie laten escaleren en zo nog meer schade aanrichten, of juist te veel emotioneel betrokken zijn bij de dader als deze bijvoorbeeld een van je ouders is.

Een goede gesprekspartner kan een goede vriend zijn, of misschien wel een geestelijk verzorger. Of praat met je huisarts over wat je meemaakt, en laat je eventueel doorverwijzen naar een psycholoog die je kan ondersteunen in het copen met je omstandigheden en je kan begeleiden bij het nemen van moeilijke beslissingen.

Een mogelijkheid is ook om contact te leggen met Sensoor of Korrelatie, een soort Kindertelefoon voor volwassenen. Het voelt misschien gek om dat te doen, maar weet dat zij getraind zijn om naar jou te luisteren en je heel serieus zullen nemen. Huiselijk geweld kent vele vormen, en hoeft niet alleen serieus genomen te worden als je met een bloedneus bij de Spoedeisende Hulp zit. Je hoeft dit niet alleen te doen!

Dit artikel maakt deel uit van een reeks die wij publiceren naar aanleiding van World Mental Health Day 2017 . Het volgende artikel is van geestelijk verzorger drs. Hamza Akkar en gaat over het zelfbeeld en de profetische aanpak.

World Mental Health Day 2017:

avatar

Pasha Cayman is dol op tafsir. Hij leest zich dan ook ’n slag in de rondte, van middeleeuwse commentaren tot moderne interpretaties. Maar het leukste vindt hij de Qur’an te lezen met ‘n blik op de toekomst, en de aayaat al-aafaaq wa’l-anfus, de tekenen van de schepping en de menselijke geest, te verbinden met God’s eeuwige woord. Pasha gelooft dat de Qur’an als elektriciteit is: als jij er geen fouten mee maakt, gaat de waarheid zijn natuurlijke weg. Hij krijgt dan ook regelmatig stroomschokken, maar overleeft het vooralsnog.

Lees andere stukken van Pasha